Geen producten (0)

Het rijk

 

 

 

 

 

 

In 1533 ging het Incarijk ten onder en kwam in de handen van de Spanjaarden terecht. De Inca's hadden rond 1200 het grootste rijk dat Amerika ooit gekend heeft. Het strekte zich uit van Ecuador, omvatte heel Peru en liep tot in Chili. De mensen in het Incarijk hoorden bij verschillende stammen die door de Inca's waren verslagen of stammen die zich bij hen hadden aangesloten. De meeste mensen waren arme keuterboeren die ontzettend hard moesten werken om in dat hardvochtige, onherbergzame land te overleven. De stammen die bij het Incarijk kwamen door bijvoorbeeld veroveringen kwamen onder de Inca's te wonen in een van de meest geordende en gereguleerde samenlevingen in de geschiedenis. De vorst van de Inca's was de Sapa Inca, de enige echte Inca. Hij werd beschouwd als de directe afstammeling van de zon, en dat maakte hem een god. Al het land, al de mensen en alle rijkdom van de Inca's waren van de Sapa Inca 

 

Het volk 

 De eerste Inca's noemden zichzelf de Quechua, dat heer betekent. Wij gebruiken het woord Inca nu voor iedereen die bij deze beschaving hoorde, maar de Inca's bedoelden vroeger met Quechua alleen de heersers van het rijk. De volken in de Andes beseften van oudsher dat ze alleen konden overleven als ze zouden samenwerken. Veel stammen waren onderverdeeld in uitgebreide families of clans, de ayllu's, die werden bestuurd door gekozen leiders en geleid door een raad van oude mannen. De Inca's namen de ayllu over en gebruikten die als basis voor de organisatie van hun rijk. Iedereen werd in een ayllu geboren en bleef van die ayllu zijn hele leven lid. Elke ayllu zorgde voor de eigen leden. Sommige ayllu's waren klein, sommige waren groot. Zo behoorden bijvoorbeeld de inwoners van een stad als Cuzco allemaal tot dezelfde ayllu. Elke ayllu had zijn eigen grondgebied. De ayllu was verantwoordelijk voor de landbouw in dat gebied. Elke herfst werd het land onder de leden verdeeld. Iedereen kreeg genoeg om met zijn familie het komende jaar rond te kunnen komen. Elke familie was verantwoordelijk voor zijn eigen stuk land. Een gedeelte van het land en een derde van de opbrengst was gereserveerd voor de Sapa Inca, een ander deel werd voor de Zonnegod en de Zonnetempels bebouwd. Het werk dat de mensen op het land van de Sapa Inca en de Zonnegod verrichtten was een soort belasting. Elke ayllu was verdeeld in groepen "belastingbetalers". Dit waren de gezonde mensen, die belasting konden betalen door het land te bewerken en handwerk te verrichten. Ze moesten ook de mit'a, diensten, betalen, door in het leger te dienen en te werken aan bouwprojecten van het rijk. Om te bepalen wie de belasting kon betalen was de bevolking verdeeld naar leeftijd. Er waren 10 groepen, voor zowel mannen als vrouwen. Elke groep moest naar vermogen bijdragen aan de gemeenschap, tenzij de leden te jong of te oud waren om zich nuttig te maken.    

 

Oorsprong 

 

 

 

 Langs de westkust van Zuid-Amerika woonden vele volken voordat er van een Incabeschaving sprake was. Elk volk had zijn eigen manier van leven, een eigen taal, en een eigen grondgebied. Zo was Peru en eigenlijk heel Zuid-Amerika verdeeld in kleine staten. Een van die staten behoorde tot de Inca's, een kleine groep verwante families. De hoofdstad van de Inca's was Cuzco. Vanuit Cuzco breidden de Inca's hun grondgebied steeds verder uit. De meeste regels en ideeën die de Inca's hadden, waren overgenomen van de verschillende volken die in de Andes leefde.

 

Legende 

Vier broers en vier zussen kwamen tevoorschijn uit een grot op ongeveer 30 kilometer van Cuzco. Ze hadden een gouden staf bij zich die ze van hun vader Inti, de zonnegod, gekregen hadden. Ze moesten op weg gaan en kijken of ze een plek konden vinden waar ze de staf in de grond konden zetten. Op de plek waar dit lukte moesten ze gaan wonen. Het lukte hen in de buurt van Cuzco. Daar vestigden zij zich dus.

 

 

Veroveringen 

De Inca's hadden heel hun rijk erg goed georganiseerd. Iedereen wist wat er van hem werd verwacht. Het lijkt bijna onmogelijk om binnen 100 jaar een rijk te stichten dat zo groot was als dat van de Inca's. Dat het toch gelukt is komt door de organisatie en onderhandel talenten van de Inca's. De staten in Peru hadden vaak oorlog met elkaar. Ook de Inca's voerden oorlog met de volken die rondom het rijk van de Inca's woonden. Meestal probeerde de Inca's hen zover te krijgen dat ze uit zichzelf bij het Incarijk aansloten. Alleen als een volk niet met hen wilde samenwerken werd er geweld gebruikt.  Pas na een lange tijd geruzie met naburige volken besloot een vorst van de Inca's de zaken wat harder aan te pakken. Hij richtte een leger op van de soldaten uit onderworpen volken en Inca- officieren. Ook ondernam de Incavorst veldtochten en maakte korte metten met de kleine koninkrijkjes. Het grondgebied van de Inca's breidde zich steeds verder uit. Het noorden van het rijk is pas na een hele tijd er bij gekomen. Toen Huaya Capac, een prinses uit Quito (stad in het noorden van het rijk) trouwde, hoorde het deel pas echt bij het Incarijk. De Chanka's waren weer een geval apart. Na een reeks lange gevechten waren de Chanka's eidenlijk verslagen. De Chanka's vochten net zo goed als de beste krijgers van Cuzco aan de zijde van het Incarijk. De Sapa Inca was bang dat de reputatie van de goede krijgers uit Cuzco verloren ging. En hij had opdracht gegeven heel het leger ter dood te brengen. Een van de vele vrouwen van de Sapa Inca had de Chanka's gewaarschuwd. In de nacht zijn die vertrokken, en naar het oerwoud gevlucht. Daar zijn ze onzichtbaar gebleven voor de Inca's en de Spanjaarden tot 1977.  

 

Omgang met vijanden 

De Inca's gingen op een bijzondere manier om met de onderdanen van de vijand die ze verslagen hadden. Om opstanden van pas onderworpen volken te voorkomen werden hele groepen mensen naar een ander deel van het rijk gebracht. Ze kregen te horen dat ze nooit meer terug mochten komen. En onderdanen van een ander onderworpen volk die als boer op het land werkten, kregen de grond waar de eerst de mensen woonden die zijn weggebracht naar een ander deel van het rijk. De Inca's noemde dit systeem 'mitima'. Het was erg geschikt om de weerstand van de vijand definitief te breken. Op deze manier hielden de Inca's het rijk bij elkaar. Ondanks de harde aanpak tegen onderworpen volken respecteerden zij de vaardigheden van die volken. De handwerkers van de noordkust waren de beste metaalbewerkers van de Andes. Toen de Inca's het gebied in 1470 veroverden namen ze goudsmeden mee naar Cuzco om hun kennis en vaardigheden over te dragen aan Incaleerlingen. Zo hebben de Inca's veel geleerd van de volken die ze hebben onderworpen.

 

 

Zijn leven 

De Inca's zijn niet het hele volk zoals bijvoorbeeld de Romeinen of de Maya's. De Inca's zijn alleen de leiders van het rijk; de keizerlijke familie. De absolute leider van het volk was de Sapa Inca wat in het Quechua "Enige Inca" betekent. Hij werd beschouwd als de directe afstammeling van de zon, en dat maakte hem een god. Al het land, alle mensen en alle rijkdom van het volk (wat wij nu wel de Inca's noemen) waren van hem. Zijn woord was wet. De Sapa Inca trouwde meestal met zijn oudste zus, die dan keizerin (Qolla) werd en bezat over een uitgebreid hof van prinsessen. De Sapa Inca zat op een gouden troon. Volgens een Spaanse kroniekschrijver moesten bezoekers voor de Sapa Inca een last op hun rug dragen om hun eerbied te tonen. Als de Sapa Inca spuugde, ving een dienares het speeksel op. Als een van zijn haren op zijn kleren viel, haalde een dienares die haar weg en at hem op. De Sapa Inca werd omringd door onverstelbare luxe en veel ceremonieel. Hij gebruikte gouden borden en gouden bekers, die werden opgehouden door zijn dienaressen. De Sapa Inca droeg dezelfde soort kleding als zijn onderdanen, maar dan veel mooier. Hij droeg elke dag nieuwe kleren, voor hem gemaakt van de beste alpaca- en vicuñawol. Elke dag werden zijn etensresten en zijn gedragen kleren verbrand in een ritueel. Wanneer de Sapa Inca stierf, rouwde het hele rijk. Een raad besloot welke herinneringen aan zijn leven bewaard zouden blijven. Het lichaam van de gestorven Sapa Inca werd gemummificeerd, of gebalsemd. Zijn persoonlijke bedienden werden ritueel gewurgd, zodat ze hun vorst ook in het hiernamaals konden dienen. De dode vorst werd niet beschouwd als een dode. De koninklijke mummies waren zichtbare schakels tussen de mensen en de goden en ze werden met luxe omringd. Alle paleizen, landerijen, bedienden en bezittingen van de Sapa Inca bleven ook na zijn dood zijn eigendom. Zijn huis in Cuzco werd een heiligdom en al zijn mannelijke nakomelingen, op zijn opvolger na, werden de hovelingen van de gestorven Sapa Inca. De mummies van de Sapa Inca's kregen voedsel opgediend alsof ze nog leefden. Ze speelden een belangrijke rol in allerlei religieuze ceremonies. De mummies gingen zelfs bij elkaar op bezoek. Dit systeem had veel gevolgen voor de opvolger van de gestorven Sapa Inca. Hij erfde wel veel macht, maar geen land, aangezien alle koninklijke bezittingen in het bezit van de mummie van de vorige vorst bleven. Een Sapa Inca haalde zijn rijkdom uit het werk dat zijn onderdanen voor hem deden. Om de arbeiders te voeden en te zorgen dat er steeds meer mensen kwamen die met hun werk belasting betaalden, had de Sapa Inca land nodig. Zonder land kon een Incavorst niet regeren en werd hij na zijn dood niet meer vereerd. Dit systeem is misschien ook een reden voor de snelle groei van het Incarijk, omdat elke nieuwe Sapa Inca land moest veroveren.  

 

Zijn taken 

Het leven van de Sapa Inca bestond niet alleen uit land veroveren en ceremonies bijwonen. Hij gaf leiding aan het leger dat vrijwel onafgebroken in oorlog was. Het overgrote deel van de oorlogen die de Inca's voerden waren echter geen echte oorlogen. Vaak konden de legers zo doorlopen, en werd er geen enkele tegenstand geboden. Als de Inca's een nieuw gebied veroverd hadden, deden zij niet wat de meeste veroveraars zouden doen. Zij respecteerden de bestaande bestuursorganisaties en lieten de lokale machthebbers aan de macht. Ze plaatsten wel opzichters boven de lokale bestuurders. Op het gebied van de religie hadden zij de zelfde handelswijze, de inwoners mochten hun eigen godsdienst behouden. Verder hield de Sapa Inca zich bezig met het maatschappelijk en economisch bestuur. De hoeveelheid werk die bijvoorbeeld door Sapa Inca Pachacuti is geleverd is enorm. Hij heeft tijdens zijn leven steden herbouwd en uitgebouwd, een legerhervorming en een hervorming van het bestuur doorgevoerd, een groot aantal veroveringstochten gevoerd en nog veel meer van dat soort dingen. Natuurlijk zullen de geschiedschrijvers zijn werk enigszins uitgebreid hebben, maar dan nog is het een enorme prestatie om zulke dingen voor elkaar te krijgen. Het was ook Pachacuti die de sociale organisatie van het Incarijk grotendeels heeft opgezet, verbeterd en geperfectioneerd.  

De Sapa Inca had ook de taak om de wegen en bruggen in het land te onderhouden. Onder de Sapa Inca Roca werd begonnen met de aanleg van een wegennet, dat zich uitstrekte van Cuzco in het zuiden van het rijk tot aan Quito in het noorden. De twee hoofdwegen, een langs de kust en een door de bergen, waren samen ruim 16000 kilometer lang. Hij stelde ook een koeriersdienst in, de chasqui, een organisatie van hardlopers die een bericht binnen vierentwintig uur van Quito naar Cuzco konden brengen. Ook werd onder leiding van hem begonnen met het aanleggen van terrassen op de berghellingen en niet te vergeten de geweldige hangbruggen hoog boven de dalen en de wilde bergstromen.

 

Bevolkingslagen 

De Sapa Inca had de absolute macht over het rijk. De koninklijke familie had (met de Sapa Inca aan het hoofd) ook de leiding over de geestelijkheid en het leger, en vormde een koninklijke raad van vier van de hoogste leden van de adeldom. Elk van hen had de leiding over een van de suyu's (windstreken) van het rijk. De hoofdstad Cuzco met de rijke paleizen en tempels, was het domein van de koninklijke en adellijke klasse, die daar een stijlvol leven leidden, omringd door bedienden. In Cuzco werd het gewone volk op een behoorlijke afstand van dit centrum gehouden. De koninklijke familie en de adelstand, waartoe koninklijke bondgenoten rond Cuzco en medewerkers van de veroverden behoorden, hadden speciale voorrechten. Alleen zij mochten goud en zilver en de fijne stoffen dragen en pronken met een grote verscheidenheid aan hoofddeksels passend bij hun rang en plaats van oorsprong.  De meerderheid van de bevolking bestond uit eenvoudige landbouwers en herders die in dorpen en gehuchten verspreid door het rijk woonden. Er ontsnapte echter maar weinig aan de aandacht van het koninklijk bestuur. Alle onderdanen waren verplicht belasting te betalen. Niet in geld, want dat bestond nog niet in de tijd van de Inca's, maar in arbeid. De mannen bewerkten het land dat toebehoorde aan de vorst, de priesters of de gemeenschap en waren verplicht meet te werken aan bouwprojecten als versterkingen en de aanleg van wegen. De vrouwen weefden stoffen, maakten het eten klaar en hielpen de mannen op het land. Het leven was zwaar, maar bijna niemand leed honger. De voorraadkamers van de staat, speciaal voor dit doel gebouwd, waren altijd vol voedsel, kleding en de andere benodigdheden voor tijden van hongersnood of natuurrampen.  

Bijna niemand in het Incarijk had het dus slecht. Maar duidelijk was wel dat het rijk streng geregeerd werd en de koninklijke familie en de adel een luxer leven hadden dan hun onderdanen.

 

Taal 

De officiële voertaal van de Inca’s was het Quechua, waarvan meer dan 600 dialectvormen bestonden. In sommige delen van Peru spreekt men nog steeds Quechua. Een schrift kenden ze niet. Er zijn dus geen door Inca’s geschreven verslagen over hun eigen cultuur. Alles werd naar traditie mondeling duidelijk gemaakt, en verhalen werden ook mondeling doorverteld. Om de boekhouding bij te houden gebruikten de Inca’s de quipu’s. Een quipu was een horizontaal stuk touw waaraan verschillende verticale strengen van verschillende kleuren hingen die op regelmatige afstanden waren geknoopt. Er zijn veel quipu’s gevonden en het is bekend dat de Inca’s een decimaal telsysteem gebruikten, maar welke informatie de quipu’s precies bevatten is niet bekend.  

Geloof Inti

Doordat de Inca's geen schrift kenden, is er weinig bekend over hun godsdienst. Wat men weet is voornamelijk gebaseerd op zestiende-eeuwse teksten van Spaanse priesters en regeringsvertegenwoordigers. De Inca's kenden veel goden en godinnen die allemaal over magische krachten beschikten en allemaal te maken hadden met bepaalde aspecten van het Incabestaan. De meeste Inca's hadden een directe band met de aarde en geloofden dat de goden een grote invloed hadden op hun akkers, gewassen en dieren.  Doordat de natuur de god van de Inca's was kwam het vaak voor dat er mensenoffers werden gebracht om die goden gunstig te stemmen bij bijvoorbeeld droogte, overstromingen en vulkaanuitbarstingen. Dit was natuurlijk ook in het belang van het slagen van de oogst. In grotten onder het ijs van de Andes zijn verschillende graven teruggevonden van kinderen, omringd door vele symbolische offergraven in aarden kruiken. Naast mensen offerden de Inca's ook dieren als cavia's of lama's.  De belangrijkste goden van de Inca's waren Viracocha (de oppergod), Inti (de zonnegod) en Quilla (de god van de maan). Sommige Incatempels stonden in nauwe betrekking met de verering van de zonnegod. De Spanjaarden noemden ze dan ook zonnetempels. In de tempels bevonden zich schijven van bladgoud die de zon moesten voorstellen en lieten zien hoe belangrijk de macht van de zonnegod was.  De god Viracocha was zowel de vader als de moeder van de zon en de maan. Hij was de oppergod en werd vaak afgebeeld als een oude man met wit haar en een baard. In afgelegen gebieden lagen vaak kleinere Incatempels die uit slechts één vertrek bestonden. De grote tempels waren vaak onderdeel van een groot, uitgebreid complex waar priesters en hun assistenten in woonden. De belangrijkste tempel stond in de hoofdstad Cuzco. Daar woonde de opperpriester, die familie was van de Incavorst, en ook lagere priesters, monniken en bedienden. Priesters moesten offers brengen aan de goden, zieken genezen, de toekomst voorspellen en waren verantwoordelijk voor de bevolking van hun gebeid.  De Inca's geloofden ook in leven na de dood en ze beden dan ook vaak tot hun voorvaderen. De lichamen van de dode heersers waren de heiligste voorwerpen binnen het rijk. Deze lichamen werden behandeld alsof ze nog leefden, in hun paleizen bediend door dienaren en geraadpleegd voor advies over dagelijkse dingen.  Inca's die op het platteland woonden vereerden hun voorvaderen op een simpelere manier. Als iemand overleed, werd hij gebalsemd en bijgezet in een tombe in de vorm van een bijenkorf met vaten voedsel en chicha (maïsbier). De familie van de overledene hield acht dagen begrafenisceremonies en droeg een jaar lang zwarte kleding. De vrouwen knipten hun haar af.  Een van de belangrijkste aspecten van de Incareligie was de huaca. Huaca's waren heilige plaatsen met een bijzondere religieuze betekenis en konden daarom als een heilige plaats worden beschouwd. Inca's benaderden de huaca's met de grootste voorzichtigheid om de geest of god niet boos te maken en brachten er een offer, in de vorm van voedsel of een kledingstuk, om de god gunstig te stemmen. Allerlei dingen konden huaca's worden; heuvels, bergen en bronnen langs de weg.  De Inca's geloofden dat geesten goede en slechte eigenschappen hadden. Er bestonden geen goden die alleen maar goed of juist alleen maar slecht waren. 

 

Voedsel

Wat de Inca's aten hing af van waar ze woonden. Voor alle Inca's was er echter wel één soort voedsel dat ze het meest aten. In bergstreken waren dat aardappels. Na de oogst werden de aardappels een nacht buiten gelegd zodat ze bevroren. Daarna werden de ze in de hete zon te drogen gelegd. Door ze zo te vriesdrogen kreeg je chuñu, eten dat heel lang goed bleef. In de lager gelegen streken werd maïs verbouwd dat ook lang houdbaar was voor het geval dat er weinig was van andere voedselsoorten. Dingen die wij nu graag eten, zoals avocado's, paprika's, tomaten en chocola, werden voor het eerst verbouwd in de Andes. In sommige gebieden werden coca en quinoa (een soort rijst), verbouwd. In de tropische gebieden werden door de Inca's guave en cactus geteeld. Aan zee werd vis gevangen en gedroogd. De Inca's aten ook wilde vogels zoals eenden. Ze hadden geen schapen, koeien, varkens, geiten of kippen. Het enige vlees dat ze regelmatig aten was dat van de cavia. Deze renden gewoon binnen in de huizen rond en kregen als voer planten en keukenafval. Af en toe werd er lama gegeten maar dit dier werd, net als de alpaca (lijkt op een lama, maar is wat kleiner), te kostbaar gevonden om te eten, vanwege de wol en het gebruik als lastdier. De dag begon voor de meeste Inca's met een hapje bij zonsopgang. Ze dronken wat a'ka (een dikke, licht alcoholische, moutachtige drank) en aten de restjes van de avond daarvoor op. 's Middags aten ze een stevige maaltijd. Hoe ze moesten bakken wisten de Inca's niet, ze kookten bijna al hun eten. Mote (een maïsschotel met paprika en kruiden) werd veel gegeten. Van gedroogd lamavlees en chuñu werd locro (een stoofpotje) gemaakt. In de as van het vuur werd een soort brood van gemalen maïs gebakken. Als lekkernij kenden de Inca's popcorn. Het avondeten werd tussen vier en vijf uur gegeten. In kookpotten werd het eten op de grond neergezet. De mannen gingen er gehurkt omheen zitten en bedienden zichzelf. Ze aten met hun handen, soep dronken ze uit kommen. De vrouwen, die het eten klaarmaakten, zaten buiten de kring van mannen met hun rug naar de mannen toe. Belangrijke gasten hadden altijd een ereplaats aan "tafel". 

 

Kleding  

Incakleding er is redelijk wat bekend over de kleding die de Inca's droegen omdat er met name in de droge kustgebieden van Peru kledingstukken uit de Incatijd zijn gevonden. Incamummies werden ook met kleren aan begraven. Alle Incamannen droegen een lendendoek, een lap stof die om hun middel hing.

De lendendoek was gemaakt van katoen of wol en werd opgehouden met een kleurige riem van geweven wol. Daarover droegen veel Incamannen een tuniek, de onca. Dit was een eenvoudig kledingstuk, meestal gemaakt van alpacawol en het lijkt op een soort poncho. In de bergen, of als het koud was, sloegen de mannen een yacolla om, een mantel die ook van wol was gemaakt.

De mannen droegen sandalen aan hun voeten en vlochten gekleurde wollen koordjes in hun haar. Voor religieuze feesten trokken de mannen een versierde enkellange tuniek aan.  Alle Incavrouwen droegen een enkellange tuniek van alpacawol, de anacu. Deze werd opgehouden met een sjerp. Daarover droegen de vrouwen een omslagdoek, de topo, die ze vastzetten met een speld van koper, zilver of goud. Dit hing af van hun positie. De vrouwen vlochten hun haar of ze staken het op met wollen linten. Incavrouwen liepen net als de mannen op sandalen.

Er is weinig bekend over het gebruik van make-up door de Incavrouwen, maar krijgers en priesters beschilderden vaak hun gezicht en ledematen.  Inca's van adel droegen dezelfde kleren als gewone arbeiders, maar dan van veel betere kwaliteit. Hun poncho's en lendendoeken waren geweven van de allerbeste vicuñawol. Voor speciale gelegenheden trokken ze bijzondere kleren aan, zoals mantels gemaakt van geverfde vogelveren. Volgens een van de Spaanse veroveraars droeg Atahuallpa (een Sapa Inca) een donkere mantel van vleermuizenhuid.  Hooggeplaatste Inca's droegen speciale emblemen van hun macht. De Sapa Inca hield in zijn hand een strijdknots met een gouden kop die versierd was met een verharde vaandel. Hij droeg een franje van rode kwastjes met goudlamé (weefsel met goud- en zilverdraad). Een ambtenaar die provincies bestuurde en rechtsprak (de totrioc michoc), had karakteristieke gespleten oorlellen. Andere belangrijke ambtenaren, zoals priesters, waren te herkennen aan hun veren hoofdtooien en gouden sieraden.  Inca's van adel waren vaak te herkennen aan hun enorme oorknoppen. Meestal waren die van goud gemaakt. Mannen van adel kregen op jonge leeftijd gaatjes in hun oren en staken daar ronde gouden schijven met edelstenen in. De oorknoppen werden steeds groter. Daardoor rekten de gaten op, tot ze zo groot waren dat je er een ei doorheen kon halen.  

Aan de oorknoppen kon je de status van de drager aflezen. Hoe groter en mooier de knoppen waren, hoe meer macht en aanzien de drager had. De machtigste priesters werden orejons genoemd, wat "grote oren" betekent, natuurlijk vanwege hun oorknoppen. De Sapa Inca droeg de mooiste en grootste oorknoppen van alle Inca's.

Opgroeien  Een IncameisjeBron foto: http://home.hetnet.nl/~frietje Belangrijk was dat de kinderen vanaf hun geboorte werden opgeleid voor hun latere rol in de gemeenschap. Voor de meeste Inca kinderen betekende dit dat ze leerden kou en honger te verduren zonder te klagen en ze leerden blindelings gehoorzamen. De Inca's hadden geen vroedvrouwen. Als een moeder was bevallen, waste ze haar baby in de dichtstbijzijnde beek en ging weer aan het werk. Dit harde begin was tekenend voor de kindertijd van de Inca's.

Kort na de geboorte werd het haar van de baby geknipt in een ritueel, de rutu-chicoy. Ze kregen een tijdelijke naam, maar de kinderen werden de eerste twee jaar meestal wawa (baby) genoemd. Vier dagen na de geboorte ging de baby in de wieg, de quirau.  Elke ochtend werden baby's gewassen in koud water en dan stevig in doeken gewikkeld. Volgens de Inca's maakte het koude bad de armen en benen van het kind sterk en werd hij zo gehard voor het strenge bergklimaat. Tot hun tweede of derde jaar kregen de baby's de borst.  Baby's werden op vaste tijden gevoed, niet als ze er om huilden. Ze werden ook niet door hun moeder geknuffeld. Deze strenge opvoeding bereidde de kinderen voor op de armoede die ze later als volwassene misschien zouden moeten doorstaan.  Als een baby uit de wieg werd gehaald, werd hij soms in een diep gat gelegd, wat diende als een soort box. Tot hun tweede vielen kinderen onder de categorie saya huamrac, wat "kan staan" betekent.

De ouders zorgden voor hun kinderen tot ze twee jaar oud waren, maar ze speelden niet vaak met ze. Kinderen moesten zelf maar leren kruipen en lopen.  Er werd altijd wel goed voor de baby's gezorgd, ondanks dat ze geen gemakkelijk begin hadden. Ook voor ongewenste kinderen werd goed gezorgd. Ze werden niet zomaar ergens achtergelaten, maar konden terecht in een aantal speciale staatsweeshuizen in het Incarijk waar ze werden verzorgd.  Vanaf dat een kind twee jaar was, werd hij ingedeeld bij de groep "broodontvangers".

De kinderen mochten nog wel spelen, maar vanaf nu moesten ze praktische vaardigheden leren en kregen ze hun eerste verantwoordelijkheden. Kinderen die zich misdroegen werden streng gestraft. Ze leerden het meeste van de oudere mensen. Er werd verteld over alle gebruiken en taboes van de Inca's. De zonen van edelen hadden privé-leraren, de amataus.

Zij kregen les in de voornaamste rituelen en beginselen van de verering van de zon, de belangrijkste wetten, en ze leerden iets over politiek en krijgskunde.  Een jongen kreeg zijn definitieve naam als hij in de pubertijd kwam. Op zijn veertiende woonde hij de belangrijkste ceremonie van zijn leven bij, waarin hij zijn lendendoek kreeg. Dat was het teken dat hij een man was geworden. De zoon van een edelman ging op bedevaart naar de oorsprong van het Incarijk in de Cuzcovallei, waar zijn moed, kracht en gehoorzaamheid op de proef werden gesteld. Hij woonde een aantal religieuze ceremonies bij, waarin lama's werden geofferd en bloed op zijn gezicht werd gesmeerd. Hij legde een eed van trouw af aan de Sapa Inca en kreeg zijn slinger, schild en strijdknots. Op de zesde dag kreeg hij zijn eerst oorknoppen. Nu was hij officieel krijger van de elitetroepen van de Sapa Inca.  Meisjes werden volwassen en kregen hun naam rond dezelfde leeftijd als de jongens. Dit werd gevierd met een ceremonie waarin hun haar werd gekamd. Kort na die ceremonie trouwde het meisje.  

Tegen de tijd dat een mannelijke nakomeling van de Sapa Inca kon trouwen, had hij de grondigste opleiding gehad die in een land zonder scholen te krijgen was. Hij had gereisd, gevochten in veldslagen en kende de voornaamste rituelen voor het vereren van de Zonnegod en de belangrijkste verhalen uit de Incageschiedenis.

Incavrouwen  IncavrouwenBron foto: home.hetnet.nl/~frietje In de Incasamenleving speelden de vrouwen een belangrijke rol. Ze werkten als echtgenotes, moeders, bedienden, landarbeiders en Dienstmaagden van de Zonnegod. Maar ze hadden net als alle andere Inca's weinig te zeggen over wat ze deden. De staat besloot over hun loopbaan, en daar was weinig aan te veranderen. Op hun tiende werden alle Incameisjes op de jaarlijkse telling ingedeeld in twee groepen. De mooiste meisjes werden uitgekozen om te worden opgeleid tot Uitverkoren Vrouwen. De anderen, die de "overgeslagen" meisjes werden genoemd, bleven in hun dorp. Daar leerden ze alles over het huishouden, vooral spinnen, weven en koken.  De "overgeslagen" meisjes waren op hun twaalfde oud genoeg om te trouwen. Elk jaar werd er een huwelijksmarkt gehouden waar mannen voor de vrouwen werden uitgezocht. Alle jongens die 24 jaar of ouder waren moesten naar de markt komen. Het huwelijk werd gesloten in een eenvoudige ceremonie, waarin het echtpaar elkaar een hand gaf en sandalen uitwisselde. Nu waren de vrouwen "krijgervrouwen". Ze brachten hun kinderen groot en werkten mee op het land.  De lichamelijk perfecte meisjes in de andere groep heetten acclacunas (Uitverkoren Vrouwen). Er waren maar liefst 15.000 Uitverkoren Vrouwen in Peru. De meisjes werden opgeleid in Mamacona-instituten. De instituten waren te vergelijken met kloosters en lagen vlakbij de grote steden. In de grootste Mamacona-instituten woonden bijna 1500 vrouwen.  De meisjes stonden onder toezicht van oudere, ongetrouwde Uitverkoren Vrouwen, de mamacunas, die werden beschouwd als echtgenotes van de Zonnegod. De meisjes leerden alles over de rituelen rond de verering van de zon. Ook leerden ze koken en kumbi weven, de beste stof van vicuñawol waarvan kleren gemaakt werden door de Sapa Inca en zijn eerste vrouw (die de coya werd genoemd).  De meisjes werden verdeeld na hun opleiding. Veel meisjes werden priesteressen, of Dienstmaagden van de Zon. Ze gingen naar Tempels van de Zon. Daar bereidden ze erediensten voor alle Incagoden voor, maar vooral voor de Zonnegod. Ze maakten ceremonieel eten en drinken klaar, vooral chicha, een maïsbier wat op religieuze feesten veel werd gedronken. Enkele Uitverkoren Vrouwen werden uitgekozen om te worden geofferd. Dat was zeer eervol.  Sommige Uitverkoren Vrouwen werden de vrouw of concubine (bijzit) van de hoge ambtenaren of beroemde generaals uit de koninklijke ayllu. Sommige vrouwen gingen naar het Huis van de Uitverkoren Vrouwen van de Inca, als echtgenote van de Sapa Inca zelf. De meeste Sapa Inca's hadden honderden vrouwen. Van Atahuallpa werd verteld dat hij maar liefst zevenhonderd vrouwen had gehad.  Het gevolg van zoveel vrouwen was dat de Sapa Inca talloze nakomelingen had om aan te stellen als hovelingen, bestuurders en als zijn opvolger. Alle zonen van de Inca waren even belangrijk en de oudste zoon werd niet automatisch de volgende Sapa Inca. Dat gaf altijd complotten en staatsgrepen in de koninklijke familie, zeker in het begin van een nieuw bewind, omdat elke zoon kon proberen aan de macht te komen.  

De zus van de Sapa Inca was de belangrijkste vrouw in het Incarijk. Dat kwam doordat zij met de Sapa Inca trouwde. Zij was de eerste vrouw en enige wettige echtgenote van de Sapa Inca. De coya, wat "ster" betekent, leidde een luxueus leven. Alleen de Sapa Inca mocht met zijn zus trouwen. Zo werd zijn goddelijkheid door zijn nakomelingen geërfd.

Facebook Googleplus Twitter Pinterest Linkedin